In de middeleeuwen waren er nog geen vrachtwagens of treinen. Toch werden er enorme hoeveelheden goederen door Europa vervoerd: graan, vis, bier, hout en stof. Het vervoer ging vooral over water, want een schip kon veel meer dragen dan een kar over een hobbelige weg.
Om die handel te beschermen, sloten kooplieden uit verschillende steden zich aaneen tot een samenwerkingsverband: de Hanze. Steden als Lübeck, Hamburg, Deventer en Kampen hoorden erbij. Door samen te werken konden de kooplieden lagere prijzen afdwingen en elkaar helpen tegen rovers. Bovendien spraken ze gezamenlijke regels af, zodat handel in elke Hanzestad op dezelfde manier verliep.
De ligging aan het water was alles. Een stad die aan een rivier of aan de zee lag, kon makkelijk schepen ontvangen en weer wegsturen. Steden die verder landinwaarts lagen, groeven daarom soms kanalen, zodat ook zij de schepen konden bereiken. Hoe beter een stad met het water verbonden was, hoe rijker ze kon worden.
Toch hield de bloei niet eeuwig aan. Nieuwe handelsroutes over de oceaan werden belangrijker, en grote zeilschepen voeren liever naar verre werelddelen dan langs de oude Hanzesteden. Hierdoor verloren veel Hanzesteden hun voorname positie. De kanalen die ooit waren gegraven, raakten dicht en sommige verdwenen helemaal onder de grond.
Het lidmaatschap van de Hanze bracht ook plichten met zich mee. Steden moesten zich houden aan de gezamenlijke afspraken en mochten geen handel drijven met vijanden van het verbond. Wie zich misdroeg, kon tijdelijk worden uitgesloten, wat grote schade betekende voor de handel van die stad. Toch overheersten de voordelen: samen stonden de steden sterker dan elk afzonderlijk. Het verbond had geen koning en geen leger in de gewone zin, maar dankte zijn macht aan de gedeelde belangen van rijke kooplieden.
Wie nu door deze oude steden loopt, ziet vaak nog de rijke koopmanshuizen en de stadspoorten. Ze herinneren aan een tijd waarin macht niet over land reisde, maar over water.