In de droge gebieden van Afrika groeit een boom die er heel vreemd uitziet. Hij heeft een enorm dikke stam en daarbovenop een kroon met dunne takken die op wortels lijken. Het is de baobab. Volgens een oud verhaal zou de boom ondersteboven in de grond zijn gezet, met de wortels in de lucht.
De dikke stam van de baobab is geen toeval. In de streek waar de boom groeit, valt maar een paar maanden per jaar regen. De rest van het jaar is het kurkdroog. De baobab heeft daar iets slims op gevonden. In zijn stam slaat hij grote hoeveelheden water op. Daardoor kan hij de lange droge tijd doorkomen zonder te verdorren.
Voor mens en dier is de baobab daarom heel belangrijk. Olifanten breken soms stukken van de stam af om bij het vocht te komen. Mensen plukken de grote vruchten, die vol zitten met gezonde stoffen. Sommige holle baobabs zijn zelfs door mensen gebruikt als opslagplaats of als schuilplek.
Een baobab kan ongelooflijk oud worden. Sommige bomen zijn al meer dan duizend jaar oud. Ze hebben hele generaties mensen zien komen en gaan. Een boom van die leeftijd is zo dik dat tien volwassenen samen hun armen eromheen moeten slaan om hem te omvatten.
Niet alles aan de baobab is gewoon. Zijn bloemen gaan alleen 's nachts open en verspreiden dan een sterke geur. Die geur lokt vleermuizen, en juist die vleermuizen zorgen ervoor dat de bloemen worden bestoven. Overdag zijn de bloemen alweer gesloten. Ook valt op dat de baobab een groot deel van het jaar kaal is; pas in de korte natte tijd krijgt hij bladeren. Zo is bijna alles aan deze boom aangepast aan een leven met heel weinig water.
De baobab laat zien hoe goed planten zich kunnen aanpassen. Met zijn dikke waterstam houdt hij stand op een plek waar de meeste bomen het niet zouden redden.