Ruim honderd jaar geleden was de bever volledig uit Nederland verdwenen. Het dier werd bejaagd om zijn vacht en om zijn vlees, en zijn leefgebied werd steeds kleiner. Rond 1825 leefde er geen enkele wilde bever meer in ons land. Het leek alsof dit dier voorgoed uit het Nederlandse landschap was verdwenen.
Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw besloten natuurbeschermers de bever terug te brengen. Ze haalden dieren uit andere landen en lieten die los in geschikte natuurgebieden. De bevers voelden zich er thuis en kregen jongen. Daardoor groeide de groep langzaam, totdat er weer duizenden bevers in Nederland leefden.
Een bever verandert zijn omgeving als geen ander dier. Hij bouwt dammen van takken en modder, waardoor er kleine meertjes ontstaan. In die natte gebieden vinden veel andere dieren en planten een plek. Zo zorgt de bever er als bouwmeester voor dat de natuur rijker en gevarieerder wordt.
Niet iedereen is altijd blij met de bever. Soms graaft hij gangen in dijken, of zet hij een sloot onder water die boeren juist droog willen houden. Daarom zoeken beheerders naar manieren om mens en bever samen te laten leven, bijvoorbeeld door op gevoelige plekken gaas in de oever te leggen.
De bever is goed aangepast aan een leven in en rond het water. Zijn dichte vacht houdt hem warm en droog, en met zijn platte staart kan hij sturen en zelfs op het water slaan om te waarschuwen. Zijn tanden groeien zijn hele leven door, zodat ze niet opslijten terwijl hij hout knaagt. Een bever eet geen vis, maar leeft van bast, twijgen en waterplanten. Doordat hij bomen omknaagt, komt er meer licht op de grond, waardoor er weer nieuwe planten kunnen groeien.
De terugkeer van de bever laat zien dat verloren natuur soms kan herstellen. Met geduld en zorg kreeg een verdwenen dier opnieuw een plek in het Nederlandse landschap.