In het jaar 1815 barstte op een eiland in het huidige Indonesië een vulkaan uit met de naam Tambora. Het was een van de zwaarste uitbarstingen waar mensen ooit getuige van zijn geweest. De knal was tot op duizenden kilometers afstand te horen, en de top van de berg werd letterlijk weggeblazen.
Bij de uitbarsting kwam een enorme hoeveelheid as en gas hoog in de lucht terecht. Die deeltjes bleven niet boven het eiland hangen, maar werden door de wind over de hele aarde verspreid. Hoog in de atmosfeer vormden ze een sluier die een deel van het zonlicht tegenhield. Doordat er minder zonlicht de aarde bereikte, daalde de temperatuur wereldwijd.
Het gevolg was te merken in landen die duizenden kilometers verderop lagen. In Europa en Noord-Amerika bleef het in 1816 ongewoon koud. Er viel sneeuw in de zomer en de oogst mislukte op veel plaatsen. Mensen noemden 1816 daarom 'het jaar zonder zomer'. In sommige streken ontstond honger doordat er te weinig graan groeide.
Niet alles aan die sombere zomer was slecht. Omdat het weer zo grauw en regenachtig was, bleven sommige schrijvers binnen en bedachten verhalen. Een van de bekendste griezelverhalen aller tijden ontstond juist in die koude, donkere zomer.
De gevolgen van de uitbarsting werden destijds niet meteen begrepen. De mensen in Europa wisten niets van een verre vulkaan en zochten naar andere verklaringen voor de kou en de misoogst. Sommigen dachten aan straf, anderen aan toeval. Pas veel later legden wetenschappers het verband tussen de uitbarsting aan de ene kant van de wereld en het sombere weer aan de andere kant. Daarvoor vergeleken ze oude dagboeken, weergegevens en zelfs de dikte van laagjes ijs op verre gletsjers.
De geschiedenis van de Tambora laat zien hoe verbonden de aarde is. Één uitbarsting op een ver eiland kon het weer op de hele planeet veranderen en het leven van miljoenen mensen beïnvloeden.